Zes mythes die de nieuwe regering Michel in leven tracht te houden

17 Oktober 2014

Zes mythes die de nieuwe regering Michel in leven tracht te houden

Geloof de goednieuwsshow van de nieuwe regering Michel niet als het over de cijfers gaat. Want wie door het rookgordijn heen kijkt, ontwaart een fiscaal drama. Wil je België hervormen, dan moet je de belastingen hervormen. Een serieuze fiscale hervorming, komt er echter niet. Het is veel van hetzelfde, maar dan nóg minder sociaal. De broodnodige vereenvoudiging komt er niet: de koterij van regimes en vele aftrekposten blijft. Ook een verschuiving richting vermogen en vervuiling komt er niet. De lasten op arbeid blijven radicaal hoog. Neen, een eerlijke spreiding van de begrotingsinspanning is het niet. Aan wie veel heeft, wordt te weinig gevraagd. Alleen nog maar de eerste cijfers leren dat het fout zit. Over de fiscale plannen zien we al meteen zes mythes opduiken, die best worden ontkracht voor ze dreigen te overleven. De waarheid heeft immers haar rechten.


Mythe 1: Er komt een nieuwe vermogensfiscaliteit
De nieuwe regering verkoopt haar doorkijktaks of Kaaimantaks als nieuwe vermogensfiscaliteit. Het is de vorige regering die in de zomer van 2013 al een doorkijktaks goedkeurde als anti-fraudemaatregel. De 'Kaaimantaks' is niet meer dan een verlengstuk van de al besliste aangifteplicht van buitenlandse vermogens die bijvoorbeeld in stichtingen verstopt zitten.

Mythe 2: De grote vermogens betalen mee
Van een echte, structurele bijdrage van de grootste vermogens van meer dan 1 miljoen euro is geen sprake. Een substantieel deel van de amper 500 miljoen extra middelen die bij de vermogens gehaald wordt, gaat immers over de vervroegde betaling van de belasting op de derde pensioenpijler. Inderdaad, de derde pensioenpijler van heel wat gewone mensen. Ondertussen groeit het totaal vermogen van de 10 procent rijksten tot 877 miljard euro, 44 procent van het vermogen in België. Hen niet meer laten bijdragen, is blijkbaar een bewuste keuze.

Mythe 3: Door de loonkosten aan te pakken gaan we jobs creëren
Charles Michel, Bart De Wever, Gwendolyn Rutten en Wouter Beke kiezen voor een lineaire lastenverlaging. In plaats van de lasten op arbeid specifiek te verlagen voor de laagste en middeninkomens, daar waar dat het meest jobs en koopkracht zou opleveren. Dat zeggen rapporten van het Oeso, het IMF, de Europese Commissie, de Hoge Raad voor Financiën en de parlementaire commissie voor fiscale hervorming. Maar die adviezen worden genegeerd.

Mythe 4: Iedereen krijgt 250 euro
Terecht wil de regering mensen die werken een hoger nettoloon geven. Maar dat zou, lezen we voorlopig, gebeuren door een verhoging van de forfaitaire aftrek voor beroepskosten. Als de regering die aftrek voor iedereen verhoogt met 250 euro, dan krijgt niet iedereen evenveel. Want het gaat dan niet over een belastingvermindering, maar om een aftrek van het belastbaar inkomen. Wie met zijn inkomen in de hoogste belastingschijf zit (50 procent), zal 125 euro voordeel halen, wie in de laagste belastingschijf (25 procent) zit maar 62,5 euro.

Mythe 5: De belastingen vergroenen
De accijnzen op diesel worden verhoogd, maar automobilistenvereniging VAB merkt terecht op dat dat geen sturende maatregel is: de impact op het autogebruik is gering. Ook de omvorming van de massieve steun voor bedrijfswagens tot een mobiliteitsbudget is niet aan de orde. Bart De Wever was er in Terzake zelfs trots op dat er niets zou wijzigen aan de jaarlijkse 4 miljard euro steun voor de bedrijfswagen. Bovendien blijven de oudste kerncentrales tien jaar langer open, maar aan nucleaire woekerwinsten wordt niet meer geraakt. De belastingen worden dus niet groener.

Mythe 6: Mensen krijgen meer terug
Voor Rekening14 berekende de KU Leuven de impact van een indexsprong op de koopkracht van de gezinnen. Uit die simulatie bleek dat een gemiddelde werkende jaarlijks 276 euro verliest, of liefst 1,3 procent van zijn inkomen, maand na maand, voor de rest van zijn of haar leven. Voor een tweeverdienersgezin dat samen 5.000 euro per maand verdient, zou het verlies oplopen tot 780 euro per jaar. Werknemers verliezen meer koopkracht via de indexsprong dan ze winnen via de lastenverlaging.